HoTT 2.0

Afgelopen jaar werd HoTT 2.0 gerealiseerd. Het House of Tomorrow Today uit 2014 in Sterksel heeft dus een opvolger. Dit maal in het Limburgse Montfort. Waar HoTT in Sterksel nog wat exclusief instak, is bij HoTT 2.0 meer aandacht geweest voor het financieel bereikbaar maken van Active House principes, d.w.z. veel aandacht voor woonkwaliteiten als licht, lucht, gezondheid, comfort, uiteraard gecombineerd met brede aandacht voor milieu en energie. Onderdeel daarvan is een ventilatiesysteem gebaseerd op natuurlijke aanvoer (systeem C) en waarbij Duco en Velux samenwerken. Interessant is de wijze waarop daarmee oververhitting in de zomer kan worden voorkomen. Dit maal gaat het om een houtbouwwoning (voornamelijk houtskeletbouw, deels CLT), waarbij het hout deel uit maakt van de beleving en niet is verborgen achter metselwerk. Conform het Slimbouwen recept zijn ook hier de leidingen ontkoppeld. Na plaatsing van een HSB/CLT casco volgde een installatiefase. In de afbouwfase zijn de installaties weer aan het oog onttrokken met een verlaagd plafond en voorzetwanden. Alles op een wijze waarbij de leidingen bereikbaar blijven. De beelden zijn van tijdens de bouw en laten wat zien van de leidingen vóór de afbouw.

Nieuwbouw Altrad Hertel Industrial Services opgeleverd

Slimbouwen adviseerde actief bij de voorbereiding van een industrieel gebouw in de Waalhaven Rotterdam, datcenkele maanden geleden is opgeleverd. Het betreft een kantoor met hal naar een ontwerp van RoosRos. Constructeur is IMD. Opdrachtgever is Altrad Hertel, een groot Frans concern. In dit project is de projectvoorbereiding geheel conform Slimbouwen uitgevoerd. Het gaat om bedrijven als Van Berlo voor de fundering en BG-vloer, Dijkstaal voor de staalconstructie, de geslote gevel en het dak, Alkondor voor de transparante geveldelen, Kuijpers voor de installaties, Kwakman voor de afbouw en Oranjedak voor de buitenafwerking van het dak. Het bouwmanagement werd verzorgd door Ad van der Heijden. Door de aanpak is een aanmerkelijke reductie op de oorspronkelijke kostenraming gerealiseerd in een gebouw dat klaar is voor de toekomst.

RoosRos

Brandveiligheid als onderdeel van Sociale Duurzaamheid

Brandveiligheid is een onderwerp dat zwaarder geagendeerd moet worden. Kennelijk is het moeilijk om aandacht hiervoor te krijgen bij participanten in het bouwproces. Vandaar dat Jos Lichtenberg sinds enkele jaren actief is met een platform dat een basis zoekt voor een economisch waardemodel. Vermeden risico’s vertegenwoordigen immers waarde en de gedachte is om opdrachtgevers en andere participanten op economische gronden te bewegen tot het maken van veilige keuzes bij het ontwerpen, uitvoeren en beheren van gebouwen. Een gedachte die aansluit bij het exploitatiedenken dat ook binnen Slimbouwen wordt gepropageerd. Het nieuws hier is dat het platform recent is omgezet in een stichting onder de naam ‘De Economie van Brandveiligheid’.

Een andere exponent van de brandveiligheid is het onderzoek naar de veiligheid van Nederlandse woongebouwen, dit n.a.v. de grote brand in Londen in 2017. Daarbij acteert de BV Nederland teleurstellend traag. Jos publiceert regelmatig over dit onderwerp en ook nu heeft hij mede n.a.v. ontwikkelingen in de ‘Grenfell Tower Inquiry’ geinventariseerd hoe ons veiligheidssysteem m.b.t. brandveiligheid in elkaar steekt. Daarbij komen opmerkelijk veel manco’s of potentiele manco’s naar boven met opmerkelijke voorbeelden uit het Engelse onderzoek. Hij heeft er een Blog over geschreven. Via deze link kom je bij die Blog.

LivingLab 040

Al vast een vooraankondiging van een initiatief in Eindhoven. Monique Donker en Jos Lichtenberg hebben samen met de gemeente Eindhoven, het initiatief genomen voor een Living Lab. De officiële publiciteit daaromtrent zal spoedig volgen en wel na afsluiting van de contracten. Het gaat om de realisatie van ca. 100 woningen in het kader van een zoektocht naar het betaalbaar kwalitatief hoogstaand wonen in de compacte stad van de toekomst. Het lab staat 15 jaar ter beschikking en daagt daarmee uit m.b.t. flexibiliteit, verplaatsbaar, demontabiliteit. Daarnaast m.b.t. nieuwe verdienmodellen als as a service, leasing en andere roerende financieringsvormen. Nagenoeg alles wat ons maatschappelijk bezighoudt, is inzet bij deze zoektocht naar het wonen van de toekomst. Denk aan energie, mobiliteit, water, hittestress, gezondheid, toegankelijkheid, inclusie, circulariteit, et cetera. Slimbouwen is impliciet vanuit de inhoud betrokken bij het lab. Omdat het kan bijdragen op veel van de genoemde thema’s. Het bewoonde Lab stelt zich open voor bedrijven die hun eigen ontwikkelingen willen toetsen, door ontwikkelen, verbeteren of voor bedrijven die kennis willen ontwikkelen en onderzoek willen uitvoeren dan wel daarbij betrokken willen zijn. De eerste 10-15 woningen, afkomstig van meerdere leveranciers, worden nu als een eerste fase voorbereid. De spelregels voor deelname worden nog opgesteld, maar bij interesse kun je voor fase 2 en daarna, natuurlijk al even bij ons dan wel de initiatiefnemers informeren.

Slimbouwen overlegt met RVO

Nadat Slimbouwen erin geslaagd is samen met de gevelbouworganisatie VMRG de Circulaire Gevel voor Utiliteitsgebouwen op de milieulijst geplaatst te hebben gekregen is er een vervolgoverleg gestart. Voorgesteld is om de regelingen voor investeringsaftrek (VAMIL en MIA), uit te breiden naar de circulaire gevels voor de Woningbouw. Slimbouwen heeft alle vereisten voor de regeling opgenomen in een aanpak met het Slimbouwen Keurmerk en begeleidt bedrijven bij de subsidieaanvraag en het behalen van het merk.

Ook heeft Slimbouwen voorgesteld dat de regelingen beschikbaar zouden moeten komen voor de onderdelen van het Slimbouwenmodel: Ontwerp, Casco, Gebouwschil (Gevel-Dak), Inbouw en Exploitatie. Binnenkort krijgen we antwoord van RVO op onze ideeën.

Manco’s in ons brandveiligheidssysteem

(door Jos Lichtenberg, 22 december 2020)

Onderdeel van Slimbouwen is het realiseren van een voorspelbare kwaliteit t.a.v. onder andere duurzaamheid. Een gebouw dat bij een calamiteit totaal onnodig zal afbranden is niet duurzaam, maar een onveilig gebouw is dat evenmin (onderdeel van sociale duurzaamheid). Het naast andere duurzaamheidsonderdelen uitgerekend op brandveiligheid inzoomen is niet zonder reden. Er gebeurt momenteel zoveel op dit gebied, dat je je met recht kunt afvragen of ons veiligheidssysteem nog wel op orde is. Ik zet daar in elk geval vraagtekens bij.

Ingewijden weten dat ik mij tijdens mijn beroepscarrière en hoogleraarschap regelmatig heb gemengd in de brandveiligheidsdiscussie. Die discussie is opgelaaid na de inferno op 14 juni 2017 in Grenfell Tower in Londen waarbij 72 slachtoffers het leven lieten. Om maar niet te spreken over de vele gewonden en de enorme directe en indirecte schade.

De drive om mij van tijd tot tijd met brandveiligheid te bemoeien is gelegen in het feit dat we dit belangrijke onderwerp in Nederland niet serieus genoeg lijken te nemen. We maken veel te weinig en te langzaam werk van het op orde brengen van de brandveiligheid van onze voorraad. Grenfell ligt nu al weer 3,5 jaar achter ons en we zijn nog niet eens klaar met de inventarisatie van risicogebouwen, laat staan met het nemen van maatregelen. En dat terwijl het brandveiligheid systeem als geheel in mijn ogen, en dat zal ik onderbouwen, broos en kwetsbaar is. Ik acht het als mijn maatschappelijke taak om zwakke plekken in ons veiligheidssysteem te adresseren en ter discussie te stellen.

Onder het brandveiligheidssysteem versta ik het geheel van spelregels, bewijsvoering, uitvoeringskwaliteit, controle, et cetera met als doel veilige gebouwen te realiseren. Dat wil zeggen een veilig verblijf te kunnen garanderen en directe en indirecte schade zo veel als mogelijk te beperken. Dat systeem kent zwakke plekken en staat wat mij betreft daarmee onder druk.

Ik verbaas me daarbij over:

  • de weinig kritische reacties over de traagheid waarmee in Nederland de voorraad woongebouwen qua veiligheid in kaart wordt gebracht;
  • de beperkte mate waarin de Britse ‘Grenfell Tower Inquiry’ en alles wat we daarvan kunnen leren, in Nederland doordringt;
  • het nationale gevoel om ontslagen te zijn van verantwoordelijkheden als we aan het bouwbesluit 1 voldoen en
  • de kritiekloze acceptatie van vaak ontoereikende bewijsvoering rondom brandveiligheid.

In deze blog komen deze verbazingen alle aan de orde.

Treuzelen

Al twee jaar treuzelen we nu met het in kaart brengen van de Nederlandse gebouwenvoorraad. Ik kan het weinig anders zien. De periode direct na de ramp in Londen was onze minister niet van plan om er veel aandacht aan te besteden en wilde ze de resultaten van het Engelse onderzoek afwachten. Het idee was dat het in Nederland slechts om enkele gebouwen zou gaan. Na 1,5 jaar wachten, nu twee jaar geleden, leverde dat onderzoek nog weinig concreets op. Mede onder druk van enkele actieve Kamerleden en door media aandacht in 2018 (o.a. een uitzending van Zembla), werd uiteindelijk toch de Nederlandse gemeentes verzocht om een inventarisatie uit te voeren. Dat was 30 november 2018. Er werd daartoe een tool aangereikt waarmee elke gemeente haar slaapgebouwen (hoofdzakelijk woongebouwen) kan doorlichten. De vraag beperkte zich tot gebouwen hoger dan 20 m (het niveau van de bovenste vloer) en voor enkele kwetsbare gebouwen zoals zorggebouwen, werd een hoogtegrens van >13 m aangehouden. Nog steeds, ruim twee jaar na het verzoek, weten we niet precies om hoeveel risicogebouwen het in Nederland gaat. En dat is teleurstellend omdat ik uit eigen ervaring (ik heb zelf ook een controleonderzoek uitgevoerd) kan melden dat het onderzoek voor elke gemeente binnen een kwartaal is uit te voeren. Het zegt naar mijn idee heel veel over de ‘sense of urgency’ dat we ook nu nog voor een groot deel in het duister tasten. Dat urgentiegevoel ontbreekt bij gemeentes, maar ook bij het ministerie dat er te weinig druk op houdt. De minister meldde enkele maanden geleden dat 75% van de gemeentes in elk geval met het onderzoek was begonnen. Met een ‘het glas is halfleeg blik’ denk ik dan, dus 25% na twee jaar nog steeds niet! Van sommige gemeentes zullen we het nooit weten, want die doen stelselmatig niet mee. Wat we intussen wel weten, o.a. door een onderzoek van de Volkskrant 2 waarbij gemeenten zijn benaderd, is dat het om aanmerkelijk meer gebouwen gaat dan hetgeen in 2017 werd vermoed. En daar komt bij dat de uitkomsten van het nog niet afgeronde onderzoek slechts een deel van het probleem in kaart gaan brengen. Ik noemde al dat alleen gebouwen >20 m (voor sommige >13 m) worden geïnventariseerd, maar er is nog een resultaatdrukkend effect. En dat heeft te maken met het gebruik van de inventarisatie tool. Voor een quick scan is deze tool best goed opgezet en geeft deze een goede eerste indicatie. Hij is niet bedoeld als een nauwkeurig instrument en in het streven naar laagdrempelig is op onderdelen interpretatieruimte ontstaan. Mijn stelling is dat gemeentes en eigenaren er belang bij hebben om de uitkomst in ‘het groen’ te krijgen en dat zij deze interpretatie ruimte in veel gevallen zullen gebruiken. Niemand is trots op zijn of haar risicogebouwen en er is geen gemeente die staat te trappelen om de gebouweigenaren op kosten te jagen. Mijns inziens is het gebruiken van de interpretatieruimte op zich legitiem, maar het drukt natuurlijk wel het aantal vast te stellen risicogebouwen en het zal ongetwijfeld gebouwen uitsluiten waar in termen van brandveiligheid wel degelijk opmerkingen over zijn te maken. In Eindhoven waar ik zelf een grote steekproef heb uitgevoerd bleek de gemeente tot ruwweg de helft van het aantal risicogebouwen te komen dan dat ikzelf had geïnventariseerd. Ik ben van mening dat je bij een inventarisatie op basis van een quick scan, een dergelijk onderzoek risico zoekend dient uit te voeren om later per geval de werkelijke risico’s te beoordelen. Voor deze blog stel ik in elk geval vast dat er interpretatieruimte is en dat de gevoeligheid van de uitkomst daarvoor groot kan zijn.

Het te inventariseren aantal risicogebouwen kan door bovenstaande effecten, geflatteerd laag uitpakken. Desalniettemin zal het aantal veel hoger liggen dan in 2017 werd verondersteld. Vermoedelijk gaan we straks concluderen dat het in Nederland om 100- 200 woongebouwen gaat, terwijl ik op basis van mijn eigen steekproef tenminste 300 gebouwen als risicogebouw verwacht.

Nu is niet elk risicogebouw per se brandgevaarlijk (het idee achter de inventarisatie is juist om dit te gaan onderzoeken). Daar kun je tegenover stellen dat niet alle gebouwen beter dan de grenswaarde per definitie ongevaarlijk zijn. En dan hebben we het nog niet over de beperking van de inventarisatie die zich nu alleen op gebouwen hoger dan 20m (hoogte bovenste vloer) richt. Woongebouwen lager dan 20 m zijn niet meegenomen in het onderzoek. Het grote aantal gevonden gebouwen zou nu juist reden moeten zijn om ook gebouwen onder 20 m (resp. 13 m) te gaan inventariseren. Er is weinig reden om te veronderstellen dat een gebouw van 18 of 19 m per definitie veiliger is dan een gebouw van 20 m. Als ook gebouwen tussen 133 en 20 m zouden zijn meegenomen heb je het al snel over een verdubbeling van het aantal. Ik vind het onvoorstelbaar dat we nu anno (bijna) 2021, drie en een half jaar na Grenfell, nog steeds niet weten hoe het in Nederland zit en dat met de in elk geval honderden gebouwen, vele duizenden gezinnen in een gebouw wonen waarbij er minimaal twijfels zijn over de veiligheid. Dat kun je toch niet aanvaarden?

The Grenfell Tower Inquiry

Waar het effect van Grenfell bij ons langzaam lijkt te verdampen is dat in het Verenigd Koninkrijk totaal anders. De Inquiry aldaar leeft enorm. Overlevenden, de betrokken Londense wijk Kensington en eigenlijk een nog veel breder publiek, roeren zich regelmatig. Grenfell is wekelijks in het nieuws. In elk geval berichten de kranten zeer regelmatig over het lopende onderzoek zoals over bepaalde getuigenverklaringen. Het onderzoek zal nog jaren lopen en dat zorgt voor constante aandacht. Vreemd genoeg weten we daar hier nauwelijks iets van. Het nieuws bereikt ons niet, terwijl dit wel degelijk heel leerzaam is. Vorig jaar werd een eerste deel afgesloten (alles openbaar4) dat voornamelijk ging over de processen, de rollen en verantwoordelijkheden en de regelgeving. Als enige technische conclusie gold dat het toen al wel duidelijk was dat de gevel een cruciale rol bij de branduitbreiding had gespeeld.

In elk geval heeft het Engelse onderzoek al geleid tot een vergaande aanscherping van de regelgeving aldaar. Zo mag boven 18 m in gevels geen brandbaar materiaal meer worden toegepast. In brandklassen uitgedrukt wordt klasse A (onbrandbaar) vereist en worden kleine uitzonderingen toegestaan, zoals voor de kunststof folie in gelaagd glas. Overigens lopen wij wat achteraan. In veel van de ons omringende landen zijn de eisen inmiddels ook aangescherpt. Daarover hierna meer, zoals ook m.b.t. de Inquiry die de zwaktes in het brandveiligheidssysteem, die ik hierna beschrijf, onderbouwen.

Het brandveiligheid systeem

Ik heb in het begin van deze Blog al toegelicht wat ik onder dat systeem versta. Ontwerpers, opdrachtgevers en bouwers komen in de Nederlandse bouwpraktijk meestal niet verder dan het braaf volgen van het bouwbesluit. Er leeft bij hen, maar ook bij consumenten en gemeenten, een overtuiging dat als je maar aan het bouwbesluit voldoet, het wel in orde is allemaal. Ik stel hier, dat dat zeer zeker niet vanzelfsprekend het geval is en tevens dat we allemaal een verantwoordelijkheid dragen om een veilig gebouw te realiseren en in stand te houden. Het bouwbesluit zit absoluut knap in elkaar, maar geen enkele set spelregels kan voor elke situatie een waterdichte oplossing bieden. We zullen dus altijd het gezond verstand moeten blijven gebruiken en samen verantwoording dragen voor het bereiken van een voldoende veiligheidsniveau. En dat kan leiden tot meer maatregelen dan wat het Bouwbesluit vereist. Bedenk daarbij dat wat het Bouwbesluit vereist, ook met betrekking tot brandveiligheid, in termen van rapportcijfers, niet meer is dan een 6. Besef ook dat het bouwbesluit slechts toeziet op veiligheid in termen van veilig kunnen vluchten van mensen. Zeer beperkt op de veiligheid van dieren en niet op het beperken van economische schade. Dat laatste is eerder het domein van de verzekeraar die in de huidige ‘harde’ markt bij een ‘bouwbesluit 6-je’ in veel gevallen de premie verhoogt.

Ernstiger is dat we bij het bepalen van brandveiligheid vertrouwen op rapporten van leveranciers, wat een uitermate zwak punt in ‘het systeem’ is. Ten eerste dienen de full scale beproevingen de werkelijkheid te benaderen en dat doen ze beperkt tot niet. Zo geldt voor gevels nog steeds de SBI test (zie kadertekst) die daarvoor helemaal niet is ontworpen. Deze pretendeert een brand in een prullenbak te simuleren. De vuurbelasting bij deze test is daarom aanmerkelijk lager dan de energie die een uitslaande brand kenmerkt. Dan krijg je uiteraard ook geen representatief beeld van de werkelijke risico’s. Het ongeschikt zijn van de SBI test wordt internationaal breed bevestigd, maar intussen geldt die test nog steeds.

Ook voor brandwerendheidstesten gelden niet-representativiteitsissues, zoals de 3D effecten die niet worden meegenomen (het in twee richtingen krom trekken bijv.). We moeten daarbij bedenken dat de normcommissies die al dit soort testen ontwikkelen voor een belangrijk deel worden bevolkt door belanghebbende leveranciers. Zij weten precies welke details gunstig of ongunstig uitpakken voor hun producten en zullen daarop proberen te sturen. Naar mijn idee zou deze taak in handen moeten liggen van de wetenschap, maar dat is in de praktijk nu niet of beperkt het geval.

En dan is er met het tot stand komen van een testrapport nog iets opmerkelijks aan de hand waarover zich niemand lijkt te verbazen. De meeste rapporten komen tot stand in opdracht van een belanghebbende leverancier. De uitvoering van brandtest en de rapportage worden door het testinstituut verzorgd, maar het te testen bouwdeel wordt door de fabrikant geleverd en opgebouwd. Reken maar dat deze met veel zorg wordt gemonteerd. Veel meer zorg dan bij een normaal uitvoeringsniveau wordt bereikt. Hoe representatief is dan het resultaat?, kun je je afvragen.

Wat uit wetenschappelijk oogpunt ook zeer merkwaardig is, is dat dit soort ‘full scale’ beproevingen doorgaans slechts één keer worden uitgevoerd. Als de beoogde normwaarde wordt bereikt is de leverancier tevreden en de ontwerpers, bouwers, opdrachtgevers en gemeenten accepteren het rapport blindelings. Ik besef dat dit soort brandproeven kostbaar zijn, maar een steekproef van één (een enkele proef) zegt statistisch helemaal niets. Je krijgt geen beeld van spreiding en wellicht is het een toevalstreffer. En dan moet je je ook nog realiseren dat indien de test niet wordt gehaald, de leverancier deze kan overdoen. Soms met nog meer zorg gemonteerd, wellicht wat getruct, ofwel gewoon nog eens proberen (het lijkt een argwanende stelling, maar lees hierna het stuk over Grenfell maar). Als een leverancier na een aantal keren proberen het gewenste resultaat heeft bereikt, staat het hem vrij om de rapportage daarvan in de markt te verspreiden en de mislukkingen te verzwijgen. U als ontwerper, bouwer of opdrachtgever ziet alleen dat ene positieve rapport, dat in feite in dat geval de bovenkant van een spreiding laat zien. Daarmee komt een ‘met de hakken over de sloot’ resultaat in een twijfelachtig daglicht te staan. En toch vertrouwen we incl. de controlerende overheid, daarop. Ik zou veel voelen voor verplichte publicatie van ook mislukte testen en/of voor het invoeren van een veiligheidsfactor afhankelijk van het aantal testen.

En dan zijn we er nog niet, want uiteindelijk wordt een product voorgeschreven door ontwerpers die dergelijke rapporten moeilijk kunnen doorgronden en beoordelen en waarbij misinterpretaties gemakkelijk zijn gemaakt (zie kadertekst). En stel dat het ontwerp deugdelijk is opgezet dan hebben we ook nog eens te maken met de uitvoering, waarbij we allemaal weten dat er vaak bezuinigingsrondes zijn waarbij, overigens vaak te goeder trouw, een goedkoper alternatief wordt gezocht of waarbij opeens ergens een doorvoer wordt gerealiseerd die in het ontwerp niet was voorzien of waarbij de uitvoeringskwaliteit niet wordt gehaald waarmee is getest.

We mogen hopen dat de Wet Kwaliteitsborging hierop gaat toezien, maar die is nog niet onmiddellijk bouwbreed van kracht en inhoudelijk moeten we daar nog ontdekken of die ook op dit detailniveau effect gaat hebben. In zijn algemeenheid ligt een deel van de oplossing wel in een expertoordeel m.b.t. het ontwerp binnen de toepassingsvoorwaarden van wat het testrapport vermeldt alsmede in een deskundige controle op de uitvoering.

En dan nog moet je ook vaststellen dat geteste producten die tientallen jaren in de praktijk dienst moeten doen op den duur minder gaan presteren. Denk bijvoorbeeld aan scheurvorming in wanden, bros wordende kitvoegen en afsluitprofielen, et cetera. En ook de eigenaar/gebruiker, die kan besluiten om een mutatie door te voeren of onbewust toestaat dat het gebouw onveiliger wordt gebruikt. Denk aan het wijzigen van aankleding en/of inrichting met brandbaardere materialen, het plaatsen van een container tegen de gevel, elektrische oplaadpunten bij de gevel, toevoegen van zonnepanelen, et cetera.

In feite is het risico op falen van ons brandveiligheidssysteem verdeeld over een aantal stappen, die elk deelrisico’s met zich meebrengen. Die kunnen elk voor zich al aanzienlijk zijn maar als je die risico’s in onderling verband in beeld hebt en de risico’s gaan opstapelen, dan wordt duidelijk dat de kans op falen zeer aanwezig is. Dat is als volgt in beeld gebracht.

The Grenfell Tower Inquiry (vervolg)

Hierboven kwam ‘The Grenfell Tower Inquiry’ reeds ter sprake. Vooropgesteld dat er nog definitieve conclusies moeten worden getrokken, blijkt uit de ondervragingen met de daarbij getoonde inhoud van interne documenten waaronder e-mails, dat een fabrikant heel ver kan gaan met het selectief inzetten van testresultaten. Bijvoorbeeld het commercieel inzetten van testrapporten terwijl het geleverde product inmiddels is gewijzigd ten opzichte van het product als getest. Sterker nog dat later uitgevoerde mislukte testen op wel het goede product niet openbaar zijn gemaakt. Er zijn meer indringende verhoren geweest, maar ik doel hier op een verhoor van een medewerker van Kingspan. Zie de link achteraan onder referenties6.
Deze link toont twee verhoren en ik doel met name op de eerste, een verhoor tijdens de ochtend van 9 december jl. (Adrian Pargeter).

In het verhoor komt tevens aan de orde dat het bedrijf na de Grenfell ramp een vergelijkende test met een concurrerend onbrandbaar materiaal heeft laten uitvoeren. Kingspan wordt daarbij, op basis van e-mails tussen functionarissen, beschuldigd dat men doelbewust een slecht resultaat heeft nagestreefd. Daardoor scoorde de opstelling met het geteste Kingspan product K15 (Kooltherm) niet slechter dan de opstelling uitgevoerd met het onbrandbare materiaal. Vervolgens heeft men met het testresultaat, zo wordt in het verhoor gesteld, in Engeland gericht parlementsleden beïnvloed. Het zou voor gevels niets uitmaken of je voor K15 of een onbrandbaar materiaal kiest. Kingspan had er natuurlijk belang bij om ook in gebouwen boven 18 m toegepast te mogen blijven worden. Er wordt bij de ondervraging in relatie tot het benaderen van parlementsleden over misleiden gesproken. Nogmaals het zijn verhoren en Kingspan ontkent een aantal beschuldigingen waaronder de doelbewuste misleiding. Het zijn dus nog geen definitieve conclusies, maar er wordt een stevig sfeerbeeld neergezet met een kijkje achter de schermen over hoe een bedrijf om kan gaan met testen en het commercieel inzetten daarvan en daarmee illustreert deze casus de kwetsbaarheid van ons veiligheidssysteem.

Kingspan leverde voor Grenfell Tower overigens niet alle isolatiemateriaal. Met de Kooltherm K15 werden met name de kolommen geïsoleerd en juist het gedrag van dit deel van de gevel lijkt een snelle uitbreiding van de brand in de hand te hebben gewerkt al worden daarop nog experts bevraagd. Mijn beeld wordt ondersteund door verklaringen van Ms. Stephanie Barwise die namens de nabestaanden, overledenen en bewoners spreekt. Zij stelt: ‘As to the relatively small amount of K15 on Grenfell , we await the experts’ opinion on the extent to which K15 would have assisted rapid flame spread. Given much was on the columns, it may be highly significant, given the way columns acted as chimneys, fuelled, as Dr Lane reported in Phase 1, by the insulation within them’.

Slot

Met deze blog heb ik willen agenderen, illustreren en onderbouwen dat ons brandveiligheidssysteem diverse zwakke plekken kent. Tevens dat wij er in Nederland in tegenstelling tot diverse buitenlanden, tamelijk gelaten en treuzelachtig mee omgaan. De meeste landen hebben al maatregelen getroffen of zijn dat van plan te gaan doen.

Bij hoogbouw in Nederland of appartementen in het algemeen, ook al tellen die maar enkele bouwlagen, zou een grondige expert beoordeling bij het vergunnen en ook de controle op hetgeen wordt uitgevoerd, niet misstaan. Tevens een regelgeving die voorkomt dat we nu veilige steenachtige appartementen, op de verkeerde wijze gaan isoleren. Want dat is wat ons met de energietransitie boven het hoofd hangt.

Zelf ben ik van mening dat we, zeker nu we nog steeds niet over een goede en complete analyse van de Nederlandse voorraad beschikken, het zekere voor het onzekere zouden moeten nemen. Liever nu hoge eisen stellen, die straks na representatief onderzoek deels kunnen worden afgeschaald, dan andersom. Onze overheid is (nog) niet bereid gebleken deze lijn te volgen en om nu voor absolute veiligheid te kiezen. Denk dan aan het uitsluitend toepassen van niet brandbare ‘klasse A’ materialen en constructies toe te laten in hoogbouwprojecten. Daarbij leunt de overheid op een quick scan die door de ATGB is uitgevoerd (Adviescommissie Toepassing en Gelijkwaardigheid Bouwvoorschriften). Opmerkelijk is dat de ATGB ook diverse door mij genoemde zwakheden in het systeem adresseert, maar kennelijk toch tot een andere conclusie komt. Daarbij baseert men zich o.a. op de in Nederland gangbare strategie om bij brand tot ontruiming over te gaan en niet de ‘stay put’ (blijf zitten) aanpak. Nu is een quick scan geen sterke basis, maar voorlopig lijkt deze wel de toon te zetten.

De hele discussie gaat vooral om gebouwen >20 m (en zorgcentra >13 m). In deze Blog bepleit ik nu ook aandacht voor lagere woongebouwen.

Gelet op alle manco’s in ons systeem zou ik voorstander zijn om het systeem integraal aan de orde te stellen en aan een stresstest te onderwerpen. Op dit moment is het lastig om de risico’s te kwantificeren. Niet alles is per definitie onveilig zodra een systeem zwakke plekken kent, maar in potentie zijn er een paar forse manco’s die in onderlinge samenhang reden tot zorgen geven. Het kan niet anders dan dat daarvoor aandacht moet komen. Opdat we de risico’s kunnen benoemen, kwantificeren en beheersen.

Programma

We organiseren bijeenkomsten rondom Slimbouwen bouwprojecten. Het moment van bezoeken is afhankelijk van gastheer en bouwvorderingen. Aangeslotenen krijgen hiervan bericht.

Slimbouwen heeft het in zich om partijen in een sterkere rol in het bouwproces te zetten. Voor 2020 wordt een event voorbereid om met elkaar en met enkele inspirerende deskundigen in discussie te gaan over hoe je als leverancier van een casco, gevel, dak, installatie of afbouwsysteem, een sterkere lucratieve positie kunt krijgen. Aan de ontwerptafel, maar ook in het bouwproces en zelfs tijdens de gebruiksfase.

Slimbouwen door RVO erkend als circulaire methodiek

Slimbouwen kan met trots melden dat we sinds 27 december 2019 door RVO worden erkend als circulaire methodiek en daarmee dat bedrijven die deze methodiek omarmen in aanmerking te kunnen komen voor aanzienlijke investeringssubsidies als MIA/VAMIL. Vooralsnog geldt de erkenning voor het bouwdeel gevels.

https://www.rvo.nl/subsidies-regelingen/milieulijst-en-energielijst/miavamil/circulaire-utiliteitsgebouwgevel

Slimbouwen beschikt over een keurmerk dat aan gevelsystemen kan worden verleend. Daarmee wordt richting gegeven aan een duurzame en circulaire oplossing. De overheid beloont dit met een forse subsidie. Voor opdrachtgevers een beloning voor een circulaire keuze, voor gevelleveranciers een middel om opdrachtgevers te laten kiezen voor hun van een Slimbouwen keurmerk voorziene circulaire oplossingen.